
L’Invitation au voyage
Paris -Beaulieu – Saint-Malo – Le Mont-Saint-Michel – Saint-Nazaire – Nantes – Île de Ré – Illiers Combray – Giverny


Ik ging op reis en nam mee: mijn notitieboek + schrijfgerei en mijn iPhone met camera, een app om geluiden mee op te nemen en eentje om planten mee te determineren (zeeraket, zeewinde, blauwe zeedistel en hazenstaart op ÎIe de Ré).
Reisimpressies
De vertellingen in Onzichtbare steden van Italo Calvino horen wat mij betreft bij de mooiste reisverhalen die ik ken, ook al zijn ze imaginair of misschien wel juist daarom. Maar de steden en plekken die ik deze zomer bezocht waren niet alleen zichtbaar, maar maakten indruk op alle zintuigen. Al die sensaties zijn opgeslagen en heb ik, net als mijn koffer en tassen, uitgepakt – om ze te transformeren tot de volgende impressies.
1. In het spoor van Pauline Viardot – Parijs en omstreken
Sinds ik Emo Verkerks portret van Toergenjev exposeerde, met daarin twee kleine portretten van Pauline Viardot (in een medaillon bij zijn hart) en haar man Louis Viardot (in een fotolijstje op tafel – zie ZINE #1), ben ik geïntrigeerd door hun verhouding. Niet zozeer in fysieke of emotionele zin maar vooral, waar die nu nog zichtbaar of voelbaar is, zoveel jaar na dato. De verhalen waarmee je die plekken uit hun verleden kunt omringen, brengen ze als het ware tot leven. Eigenlijk wilde ik in eerste instantie naar het museum van de Romantiek in het destijds nieuwe artistieke centrum van Parijs, Nouvelles Athènes. Ik schreef er al eerder over; de werken die daar normaliter te zien zijn, zoals het meest bekende portret van Viardot door Ary Scheffer, waren tijdelijk in Dordrecht te bezichtigen, naast werken van Delacroix en Géricault. We zitten vol in de Romantische periode, die misschien al begon met René Chateaubriand, maar daarover later meer.
Het werd een rondgang langs een viertal locaties, twee achter gesloten hekken, zodat de verbeelding alsnog aan de gang moest. Zo’n zoektocht brengt je vaak op onvermoede plekken en biedt ruimte aan mijmeringen, die een reis een historisch patin geven, waardoor de tijd zich lijkt uit te breiden (zie Proust in de zevende episode van dit reisverhaal.) Dat museum, het voormalige woonwerkpaleis van Ary Scheffer, wordt op dit moment uitvoerig gerestaureerd net als de hele openbare ruimte in dit deel van de stad. Er is net genoeg inkijk, om je er een voorstelling van te maken, van deze plek waar elke donderdagavond salons werden gehouden en waar een uitwisseling plaatsvond tussen muziek, beeldende kunst en literatuur.



De volgende ochtend brachten we een bezoek aan het Cimitière du Nord, ‘dit Montmartre’, waar Pauline Viardot een van de promintente ‘bewoonsters’ is onder veel andere zangers, schrijvers, staatslieden en een enkele clown. Er is een tweede plattegrond beschikbaar voor la deuxième sexe, die je langs de rustplaatsen van uitsluitend vrouwelijke prominenten voert maar Pauline komt op beide lijsten voor. Desondanks is haar graf moeilijk te vinden, al had ik het vooraf al bestudeerd op internet. In de frisse ochtend, waar we vanaf de blauwe spoorbrug de kleine bouwwerkjes onder ons al konden ontwaren, kwamen we in het lagergelegen deel terecht waar de centrale rotonde met planten en bloemen leidde naar paden en zijpaden en daar weer de zijpaden van, die ons uiteindelijk, te dicht langs de graven en de begroeiing door, naar het lichtelijk overwoekerde graf van La Viardot brachten. Er staan meerdere namen bij, van haar man, Louis en van hun(?) kinderen. Het is een rotsachtig bouwwerkje met haaks geplaatste rechthoekige stenen. Het had toch iets van een ontmoeting.
In het pand dat de Viardots vanaf 1871 bewoonden op de rue Douet, waar Pauline op de belle étage haar lessen gaf en salons organiseerde, had Toergenjev zijn intrek genomen op de vijfde (zolder)verdieping. Volgens de onvolprezen schrijver van Europeanen, de Britse historicus Orlando Figes, had Toergenjev een geluidskoker aan laten leggen om de pianomuziek en het gezang van Pauline en haar leerlingen te kunnen volgen. Een bizar gegeven. De drang naar verbondenheid was zo groot dat hij op de buitenplaats in Beaulieu die Pauline en Louis kochten, op zo’n 25 meter afstand een datsja liet bouwen, zijn eigen zomerverblijf in de schaduw van de Neo Palladiaanse villa van de Viardots. Een mooie boswandeling brengt ons bij een hek met daarachter die datsja die eigenlijk meer lijkt op een Zwitsers chalet, met drie verdiepingen, het huidige Toergenjev museum, dat slechts twee zaterdagmiddagen per maand geopend is. Hier stief Toergenjev, in 1889 in de armen van Pauline – dat dan weer wel. Na de dood zijn ze weer ver van elkaar verwijderd want Toergenjev kreeg een staatsbegrafenis in Leningrad, waar Pauline niet eens bij aanwezig was.
2. Monet et la fluidité – Parijs, Musée de l’Orangerie en Giverny


De twee zalen met waterlelies, ‘nymphéas’, in Musée de l’Orangerie in Parijs worden deze zomer omgeven door tekeningen van De boom (au rebours – ‘tegen de keer’) en een aantal video’s van David Claerbout evenals de expositie Dans le flou, une autre vision de l’art de 1945 à nos jours, (te zien t/m 18 augustus, met werk van onder veel meer Hiroshi Sugimoto, Maarten Baas, Gerhard Richter, Claude Monet en Christian Boltanski).
In Le Printemps, Lentement, De lente, langzaam, laat Claerbout je nauwelijks op te merken veranderingen ervaren, door zijn hybride werkwijze tussen fotografie en bewegend beeld. Die minimale veranderingen maken ‘la durée’ voelbaar, de tijd die zich ‘ontrolt’ en hebben tot doel je blik te ‘ontfocussen’ en de tijd te ervaren als voorbijgaand fenomeen. Kleuren die ‘vertinten’ in het donker. “Perceptie is een constructie” zegt Claerbout. En over zijn omgang met de huidige techniek: “Ongeveer zoals de kunstenaars van het impressionisme zich verhielden tot de fotografie moeten wij dat, in onze tijd, doen met AI. Wat onderscheidt ons van het mechanische, repetitieve?”
‘Nous sommes dans le flou’, we tasten in het duister. Niets beklijft, alles blijft lichtjes in beweging, schommelend tussen hier en daar, toen en nu. Het gaat ook om ‘de erosie van zekerheden’, zo staat het in de bij de tentoonstelling beschikbare vouwblad. Onder een werk van Alfredo Jaar, Six seconds, impression jet d’encre pigmentaire, staat een citaat van Gaston Bachelard, die een tetralogie, een vierluik, over de elementen schreef. In die van de lucht, L’Air et les songes, Paris, Corti, 1963, vind je het volgende citaat:
”La valeur d’une image se mesure à l’étendue de son auréole imaginaire, autant dire qu’une image stable et achevé coupe les ailes à l’imagination.”
Ruimte voor de verbeelding dus, die vliedend is en waarvan je de vleugels intact moet laten.
Je kunt ook ‘nager’ (zwemmen) ‘dans le flou’. ‘Flou ‘is etymologisch verwant aan ‘fluïde’, het vloeibare. Die vloeibaarheid van buiten naar binnen, met het uitzicht als verbindende element, zie je ook terug in de tuin en het huis van Monet in Giverny. Het groen van de kozijnen en de Japanse brug(gen) over de vijvers contrasteert met het natuurlijke groen en vormt als het ware een kader, waarbinnen de natuur zich door hem liet vastleggen in zijn onbegrensdheid.
Nymphaea komt van nimf, en heeft zijn oorsprong in de mythe van de bloem en de watergodin. Het is ook de wetenschappelijke naam van de waterlies. Van die waterlelies in de vijvers van Giverny geen spoor, maar die vliesvleugelden in gedachten op uit het donkere water onder de bruggen en ontvouwden zich in de klaprozen rondom.
3. Enchanteur / Auteur – Saint-Malo (en Parijs)


In Saint-Malo sta ik opeens weer ‘oog in oog’ met Chateaubriand. Er is één zin van deze schrijver, die ik altijd onthouden heb en die gaat over architectuur en de zintuigen: “L’architecte bâtit, pour ainsi dire, les idées du poète et les fait toucher aux sens”. De architect bouwt om het zo te zeggen de ideeën van de dichter en maakt ze voelbaar voor de zintuigen.
Het boek heet René en ik kreeg het zo’n 30 jaar geleden cadeau van een vriend met dezelfde naam, die bij de bibliotheek in Den Haag werkte. Het betrof een geplastificeerd, afgeschreven exemplaar. Op de kaft van deze educatieve editie, voorzien van vragen en noten uit de serie Nouveaux classiques Larousse, staat het kasteel waar François-René Chateaubriand het grootste deel van zijn leven doorbracht, naast alle reizen, die hij vanuit zijn politieke rol, maakte.
Geboren en, volgens zijn wens, begraven op het meest westelijke puntje van het (schier)eiland (îlot) Grand-Bé, tegenover de ramparts, de verdedigingswallen rond het oude stadsdeel van Saint-Malo. Dit graf kun je alleen bij laagtij te voet bereiken. Het ligt op een plek die nu eens eiland en dan weer schiereiland is. Het graf dreigt weg te zinken in het Kanaal door de toenemende erosie. Dan is er van dat mooie idee van tijdelijke toegankelijkheid niks meer over. Het is een graf met uitzicht. Een troostrijke gedachte voor een romanticus.
Zijn geboortehuis is thans een restaurant Chateaubriand. De culinaire connotatie is te danken aan zijn kok, die rundvlees op een bepaalde manier bereidde. Aan de binnenzijde van het fort van Saint Malo is zijn portret afgebeeld, een bas-reliëf met als de typering van zijn wezen het woord ‘enchanteur’. Iemand die (be)tovert, magie teweegbrengt. Enchanteur malgré lui, is ook de titel van zijn biografie. Hij wordt gezien als de vader van de Romantiek, een complexe man met een dubbele natuur, serieus en speels (romanesk). In verschillende levensfasen was hij soldaat en reiziger, schrijver en staatsman. Madame Récamier, die van de chaise longue, was zijn minnares, zo lees ik in zijn Mémoires d’Outre-Tombe. ‘Enchanteur’ dat is iets wat je zou willen worden of zijn. Iemand die begeestert, inspireert? Maar wat het precies is heb ik nog niet begrepen, daarom houdt het me des te meer bezig.
Net zoals een bevriende schilder me van de week vertelde dat hij in een niet nader te noemen Europese stad kleuren had gezien waar hij geen woorden voor had. Dat bracht hem een heel nieuw palet. En volop inspiratie
In de memoires van Chateaubriand komt ‘enchante’ zeven keer voor, een keer tegenover ‘désenchante’ in de zin van onttovering. Enchanter vindt plaats in de ziel. Le succès d’Atala m’avait enchanté, parce que mon âme était encore neuve “. Verrukkingen; “ Les orangers étaient couverts de leurs fruits, et les myrtes de leurs fleurs. Baïes, les Champs-Élysées et la mer, étaient des enchantements que je ne pouvais plus dire à personne.” Iets wat je hart doet zingen en waarvoor je resonantie zoekt.
De laatste en zevende keer dat hij het woord gebruikt, refereert ook aan die zintuiglijke betovering: “Le ciel de l’Attique a produit en moi un enchantement qui ne s’efface point; mon imagination est encore parfumée des myrtes du temple de la Vénus au jardin et de l’iris du Céphise.”
Ik houd het op een mengeling tussen magie, bezieling, betovering, verbeelding, verwondering en inspiratie. Net als de verrukkingen die mij daar op dat moment in St. Malo ten deel vielen: de verrassing van het buitenrestaurant aan het strand in de zon met de tintelende koele cider en de aanblik van een tiental oesters op ijs. Een hondje dat op het strand op en neer rende, gek van plezier, buitelend en kwispelend, niet wetend of hij de ene of de andere kant op moest rennen of huppelen. Je helemaal opgenomen voelen in je omgeving. Het geluid van de golven en de duikvliegende gierzwaluwen, het zout op mijn lippen.
De dag ervoor zag ik bij een portret van de zeventiende eeuwse tuinarchitect André Le Nôtre in de Tuilerieën in Parijs (hij was ook verantwoordelijk voor de tuinen in Versailles), de typering ‘auteur’. De auteur van een tuin klinkt goed. Mijn reisgenoot vindt het ook een beter woord dan ‘curator’, voor het samenstellen van exposities.
4. Een zwembad in de oceaan – Saint-Malo
Bij vloed is alleen de duikplank zichtbaar, zo’n 100 meter in de zee.
Als het water zich terugtrekt, tekenen zich steeds duidelijker de contouren van het zwembad af. (zie ansichtkaart in polaroidformaat) Een zwembad gevuld met zout zeewater.


Net als het graf op het eiland Bé van Chateaubriand, dat je alleen met eb te voet kunt bereiken, kun je hier in diezelfde delen van de dag binnen het kader van de zwembadmuren zwemmen.
Waarom hou ik zo van die tijdelijke toegankelijkheid? Omdat er wat te wensen overblijft? Het is er en het is er niet, dat is het eerder. Die dualiteit maakt het spannend.
Net zoals het eiland als metafoor van verlangen. Verlangen is een drijvende kracht. Er is dan een zekere beweging gaande. Misschien houd ik niet van statisch maar eerder van ‘in wording’. Of ‘in verandering’. Van de schommelende beweging tussen hier en daar en vroeger en nu en toen en straks, en er dan op het juiste, hoogste, moment van die schommel afspringen, in het nu.
5. Saint-Nazaire, de ideale badplaats




Het idee van de badplaats is aanlokkelijk maar in de praktijk is het vaak afzien. Waar zie je nog goede architectuur langs het water, met uitzondering misschien van Oostende, maar dat is beladen met een koloniaal verleden. Saint-Nazaire is een soort IJmuiden qua haven en industrie, met een enorme loods voor onderzeeërs. Die grootschalige plekken worden weer gerelateerd aan de menselijke maat door kunstprojecten.
Langs de kust in het centrum van de stad zijn er verschillende strandstoelen die iedereen mag gebruiken, podia en tribunes waar je op kunt zitten en waar mensen picknicken en ukelele spelen. Overal vind je terrasjes waar je voor een paar euro een galette kunt eten en glazen water met ‘sirop d’orgeat’, waarvan je kunt genieten met uitzicht op de mooie vissershuisjes – net in het water. Saint-Nazaire is een badplaats naar mijn hart.
Vooral als ik een half verscholen wandelpad ‘ontdek’, dat meeloopt met de grillige lijnen van de kust, de chemin côtier of le sentier des douaniers, die helemaal naar de Mont-Saint-Michel blijkt te voeren. We zouden het hele stuk dat we net gereden hebben, terug kunnen lopen. Het uitzicht en de vergezichten zijn geweldig. Die blik van bovenaf is ook bij de Mont-Saint-Michel het mooiste. Toevallig vielen we een keer in een hotelkamer, doodmoe, in een televisieprogramma waar mensen probeerden een concert vanaf een luchtballon boven St. Michel te organiseren. Van bovenaf en van ver is het een subliem gezicht. Zodra je het eiland betreden hebt, is dat verlangen ingelost en weg, hoewel de blik vanaf de ramparts op het onderliggende strand/water natuurlijk indrukwekkend genoeg blijft.
De ‘patrimonie’, het cultureel erfgoed, wordt hier niet vergeten. Bij een van de laatste strandjes die je vanaf de weg kunt betreden, staat een beeld dat uitkijkt over het water. Het verbeeldt Monsieur Hulot, die van Les vacances de M. H. van Jacques Tati. Het hotel, de rotsen op het strand, en nog veel meer plekken stadinwaarts zijn aangetekend op een plattegrond en door de 2D-badhuisjes kun je je uitzicht in overeenstemming brengen met een foto uit de beroemde film uit de vijftiger jaren.
6. Nantes. Van de toren van een voormalige koekjesfabriek tot Twintigduizend mijlen onder zee
Op weg van Saint-Nazaire naar Nantes vind je langs de Loire talloze kunstprojecten in de openbare ruimte. Van half verzonken gebouwen tot een mini-Ruigoord. In de stad zelf brengt een groene lijn je langs de vele beelden die de openbare ruimte rijk is. Die groene lijn ontspringt in de mooie botanische tuin. Ruimte voor kunst gaat ook hier gepaard met vrije toegankelijkheid, bijvoorbeeld van de tram in de weekenden.
Nantes is de stad van Jules Verne. Twintigduizend mijlen onder zee is ook het onderwerp van de Carrousel des mondes marins op het Île des Machines, een mechanisch aquarium dat je als bezoeker zelf mee in beweging brengt, animeert, en dat resoneert met de onderzeebotenloods, die we de vorige dag bezochten in Saint-Nazaire.
We komen langs het beeld van Jules Verne op weg naar het aan hem gewijde museum aan het water. De boekomslagen van Verne, die de ingrediënten van het verhaal al prijsgeven, zijn iconisch. Voor kinderen was er een activiteit bedacht waarbij ze met stempels hun eigen kaft van een Jules Verne boek konden maken. Dat deed ik ook, met groot plezier. Een soort frontispice, de inhoudsopgave, maar dan aan de buitenkant. Een fijne omkering wat mij betreft.



Werkelijk een Lieu Unique is de voormalige koekjesfabriek LU. Al decennia lang een magneet voor het culturele leven en waarschijnlijk het lichtende voorbeeld voor het net zo aanstekelijke 104 in Parijs, waar een paar mensen uit het stadsbestuur, een architect en vertegenwoordigers van een levendige kunstscène met onder meer de theatermensen van Royal de Luxe de handen ineen sloegen en een brede culturele basis vonden voor dit grootse project dat verbindingen legt tussen verschillende kunstvormen: muziek, theater, beeldende kunst, literatuur en dans, en diverse leeftijden en interessesferen. Er is ruimte voor hiphop (hip-hop klinkt superleuk in het Frans), er is een leesruimte in het midden van de gang die dagelijks ontsloten wordt en waar je geweldige boeken kunt lezen. Er is een crèche voor ouders die er hun atelier hebben en een restaurant en een café met een terras dat altijd vol zit. De oude fabriekstoren is in volle luister hersteld, je kunt je er zelf met een plateau in ronddraaien om de stad van alle kanten vanaf grote hoogte te bekijken maar vanuit onze logeerplek blijft die toren ook een baken van licht en beschaving, van kunst en cultuur voor iedereen.



7. De madeleine van Proust en de twee wandelrichtingen in Illiers-Combray
In Illiers Combray, op zich een niks aan de hand stadje waar behalve het museum van Proust niet veel te beleven is, bezochten we de kerk waar Proust over schrijft. Het geluid van de klokken dat je om de zoveel tijd hoort, heb ik opgenomen. Binnen in de kerk schijnt een sprookjesachtig licht door de gebrandschilderde ramen dat me doet denken aan de toverlantaarnbeelden die de jonge hoofdpersoon in zijn kamer bekijkt, voor het slapengaan. Het is een kerk om in weg te dromen, met een geweldig plafond. Voor de kerk vind je een beeld van de kleine Marcel, zittend op een bankje. In het museum vind je documenten van Proust en ensceneringen van de plekken van weleer: de slaapkamer waar hij als kind logeerde en een keuken met de typische Madeleine bakvormen, in de vorm van Jacobsschelpen.



De hele Temps Perdu-reeks staat inmiddels bij mijn dochter maar het stripboek van Proust heb ik nog in huis en had ik meegenomen. Het spannendste vond ik eigenlijk dat je vanaf het huis van Marcel, of dat van tante Leonie om precies te zijn, twee kanten op kon lopen, de kant van Swann, du coté de chez Swann, of die van de (familie) Guermantes. In de vroege ochtend worden we wakker van boerenzwaluwen die laag over het water van de Loir (de Vivonne geheten, in het boek van Proust) vliegen, over de waterlelies, die hier wel volop en goudgeel bloeien. Na het ontbijt vinden we een beeldschoon pad tussen hoge bomen, een deel van de wandeling die Proust maakte, langs een laag muurtje langs het water waar je de wasplaatsen van de huizen aan de overkant goed kunt bekijken en waar we op een merkwaardig bouwwerkje stuiten dat een openbare wasplaats blijkt. Later rijden we naar het kasteel van Swann, waar we kiezen voor een blik op het bouwwerk door het hek heen, in plaats van het hele museum te bezoeken. Het was juist die zekere afstand die het zijn glans gaf.
Thuisgekomen zelf een batch Madeleines gefabriceerd 🙂